Dilemma 3

 

PD 1

Dilemma   3

Inspecteur Petra Stinstra, door haar collega’s ook wel ‘Struise Petra’ genoemd vanwege haar opvallende verschijning, zit wat onwennig achter haar vertrouwde bureau om zich uit te kijken. Een maand geleden is de Afdeling Ernstige Delicten naar een wederom tijdelijke locatie verhuisd. Sinds anderhalf jaar is ze groepschef van de Unit. Voor het uitsluitend uit mannen bestaande team is het eerst wel even wennen geweest om een vrouw als groepschef te krijgen. Hun twijfels waren als sneeuw voor de zon verdwenen, toen bekend werd dat hun afdeling zou verhuizen. Vol vuur en als een ‘rots in de branding’ is Petra vanaf het eerste moment dat ze teamchef is, naast ‘haar team’ blijven staan, zich daarbij niets aantrekkend van wat van hogerhand bedacht is. Door deze opstelling heeft ze al heel snel het volledige vertrouwen van haar team weten te winnen. Maar ondanks haar luide protest was het haar helaas niet gelukt de verhuizing tegen te houden. Aanvankelijk had ze zich erbij neergelegd, tot ruim een maand geleden. Terwijl Petra en haar team midden in het moordonderzoek op Maartje Visser zaten, was het bericht gekomen, dat de verhuizing op korte termijn plaats zou vinden. Bij Petra was het ‘de stoom uit de oren’ gekomen. Op niet mis verstane wijze had ze haar ongenoegen kenbaar gemaakt. Dat kon er ook nog wel bij. Ze had kort daarvoor van haar leidinggevende te horen gekregen, dat ze vanwege onderbezetting bij de recherche tijdens de zomervakantie periode drie teamleden in moest leveren. Daarbij kwam ook nog, dat men haar fijntjes laten doorschemeren, dat ze maar weinig vooruitgang met het moordonderzoek had geboekt. Die opmerking had haar politie ziel diep geraakt. Het had maar weinig gescheeld, of een gevoel van enorme woede had bijna doen exploderen. Net op tijd had Petra zich weten te beheersen. Met opgeheven hoofd en vernauwde maar priemende blik, had ze zonder iets te zeggen de kamer van haar meerdere verlaten. Het is haar bekend dat diegene die de opmerking had geplaatst, niet bepaald gecharmeerd is van vrouwen bij de politie, om het nog maar niet te hebben over vrouwelijke leidinggevenden. Waar het maar enigszins kan zal die knuppel het niet nalaten haar dwars te zitten, zo weet ze inmiddels. Maar dan kent hij Petra Stinstra nog niet. Zou dat namelijk wel het geval zijn geweest, dan zou hij het wel nagelaten hebben om haar op deze wijze te bejegenen. Dan zou hij er pas echt achterkomen, dat ze meer is dan een uit de Friese klein getrokken boerentrien..

Het schelle geluid van de telefoon op haar bureau doet Petra uit haar overpeinzing opschrikken. Waarschijnlijk heeft ze wat afwezig gereageerd toen ze de telefoon opnam. Nadat ze te horen had gekregen dat het een telefoontest betrof, heeft ze hoorn geïrriteerd neergelegd. Ze ziet de drie verhuisdozen vol met ordners van het moordonderzoek op Maartje Visser, voor haar bureau op de grond staan. Ze heeft de ordners ternauwernood uit de handen van de verhuizers weten te redden. Er is haar toegezegd dat vandaag, maandag, een extra kast geleverd zal worden, waar de ordners dan eindelijk veilig in opgeborgen kunnen worden. Sedert de verhuizing naar dit gehuurde onderkomen op de tweede etage van een halfleeg staand kantoorpand in het centrum van de stad is het steeds ‘grabbeltonwerk’ geweest om bij de nodige informatie te komen. Het zal haar benieuwen of de extra kast inderdaad komt. Petra heeft zelfs voor een eigen kamer moeten knokken. En wat nog het meest irritante aan de verhuizing is, dat het twee weken heeft geduurd eer er gebruik van het computersysteem gemaakt kon worden. Vanaf het begin van de reorganisatie naar een Nationale Politie is haar vertouwen in een goede afloop met sprongen achteruit gegaan. Ze laat geen gelegenheid onbenut, om haar zorgen en afgrijzen over de gang van zaken rond de reorganisatie uit te spreken. Ondanks haar aanhoudende kritiek vinden haar collega’s binnen het managementteam haar geen ‘zeurmuts’. In tegendeel zelfs. Petra staat bekend als een ‘kanjer’ van een collega, die voor haar team door het vuur gaat. Dat ze daarbij vroeg of laat het risico loopt,om met de korpsleiding in aanvaring te komen boeit haar absoluut niet. Ze is bij de politie gegaan met een missie. En daar is ze al meer dan vijftien jaar vol passie mee bezig. Daar hoort het, in haar beleving, tevreden en te vriend houden van een Korpsleiding niet bij.

Petra strijkt met haar beide handen haar weelderige donkerblonde haardos,die tot op haar stevig en fraai gevormde schouders reikt,achterover. Ze vraagt zich af, wat ze deze maandag het eerst zal doen, starend naar een verhuisdoos met persoonlijke spullen, die naast haar bureau op de grond staat. Eerst zal ze de inhoud maar eens in haar bureau opbergen. Als ze het eerste stapeltje persoonlijke spullen uit de verhuisdoos pakt om die vervolgens in de onderste bureaulade te leggen, ziet ze de map ‘vakantie’ liggen.

Ze was bezig geweest de eerste spullen voor haar vakantie op het logeerbed uit te stallen, toen haar mobiele telefoon afging. Amper een uur na dat telefoontje,parkeerde Petra haar auto in de nabijheid van het opgegeven adres. Voor haar vertrek had ze zich snel omgekleed en zich niet alleen van haar vrijetijdskleding, wat ze op dat moment droeg, maar ook van haar vakantiegevoel ontdaan. De vrijetijdskleding had ze geïrriteerd naast haar klaargelegde vakantiespullen op het logeerbed gesmeten. Omdat het misdrijf midden in de vakantieperiode gepleegd was, en veel recherchecollega’s op vakantie waren,was het een hele toer om voldoende mensen bij elkaar te harken. En aangezien beschikbare teamleiders op dat moment al helemaal schaars waren, was haar verzocht om de vakantie uit te stellen. Haar partner Manon,waar ze al meer dan tien jaar mee samen woont,was niet blij geweest. toen Petra haar tussen de werkzaamheden door had gebeld, om haar te vertellen, dat ze niet mee naar Turkije kon. Ze hadden zich beiden er zo op verheugd om vijftien dagen van de Turkse natuur en warmte te genieten. Manon was ook wel aan vakantie toe. Als Forensisch Psychiater bij een grote GGZ instelling heeft zij ook een pittige baan. Toch hadden ze niet voor een dilemma gestaan. Petra niet, door aan het dringend verzoek gehoor te geven om ten behoeve van het moordonderzoek haar vakantie uit te stellen, en Manon niet,om dan ook maar thuis te blijven,en niet zonder Petra op vakantie te gaan. Die schat.

                                                           *

‘Wat is er met jou aan de hand? Wat klink je vreemd’, had Nellie gevraagd, toen Pieter haar vrijdag had afgebeld. Hij heeft een griep voorgewend, en heeft het gesprek met zijn vriendin kort gehouden. Zo’n geweldige prater is hij toch al niet. Bovendien had hij geen zin gehad om Nellie uitvoerig te vertellen wat er met hem aan de hand is. Het is zelfs onmogelijk om daar iets over te zeggen. Nellie is nergens mee op de hoogte. Alleen hij, Pieter, weet alles. Ze hebben elkaar destijds in een psychiatrische kliniek op de Veluwe ontmoet, waar ze beiden opgenomen waren. Inmiddels alweer ruim drie jaar geleden. Na een verblijf van vier maanden mocht Nellie met ontslag. Pieter volgde een maand later. Vanaf dat moment hebben ze contact met elkaar gehouden. Inmiddels is dat contact uitgegroeid tot een soort LAT relatie. Pieter gaat om de veertien dagen een weekend naar Nellie toe, die zelf in de kop van Overijssel woonachtig is. Nellie, die tien jaar ouder is, heeft hem al meerdere keren gevraagd om ook eens bij hem te mogen logeren. Zij weet niet waarom hij dat steeds weet af te houden Ze zou eens moeten weten?

De afgelopen nacht heeft Pieter slecht geslapen. Zijn gedachten tolden alsmaar over elkaar heen. Rusteloos had hij in zin bed liggen woelen en draaien. Hoe had zijn baas het kunnen bedenken om juist hem die opdracht te geven? Hij beseft dat die gedachte niet reëel is. Zijn baas weet immers ook niet wat er allemaal voorgevallen is? Zou hij dat wel hebben geweten dan zou hij hem zeker niet….Met het lood in de schoenen is Pieter vanochtend naar het opgegeven adres gegaan. Hij vraagt zich af, of die Irma van dat notariskantoor gemerkt heeft, dat hij zo gespannen was. Ze heeft zijn zweetdruppels zeker opgemerkt. Maar ook, dat hij veel langer boven dan beneden bezig is geweest. Toen hij boven bezig was, overviel hem een vreselijke vermoeidheid. Hij kon bijna niet meer. Vandaar dat hij de verleiding niet heeft kunnen weerstaan om even op een van de bedden te gaan liggen. Hij mocht niet in slaap vallen, al was die kans heel klein. Daar was hij veel te gespannen voor. Tijdens zijn verblijf in het bed had hij reeds aantekeningen gemaakt met betrekking tot de inventaris beneden in de woonkamer. Het was die Irma blijkbaar opgevallen dat hij wel erg snel klaar was. Met een gevoel van grote opluchting had hij de woning verlaten. Hier zou hij nooit, maar dan ook nooit meer terugkeren. Hij zou proberen te regelen dat zijn collega’s de eigenlijke verhuizing zouden gaan doen. Maar hij niet. Desnoods zou hij zich wederom ziek gaan melden. Op het bedrijf terug gekomen had hij alle gegevens in de pc ingevoerd en de kostenberekening gemaakt. Hij had mazzel dat zijn baas twee dagen naar het buitenland was. Tijdens het computerwerk heeft Pieter zich toch bedacht. Hij is helemaal stuk, en heeft het gevoel dat zijn hoofd elke moment uit elkaar barst. Na zijn werkzaamheden heeft hij zich bij Hennie ziek gemeld, en maar gezegd dat het nog niet lukte om te werken. Ze heeft hem heel veel beterschap toegewenst, en hem zelfs complimenten gegeven, voor het feit,dat hij toch nog was gekomen, ondanks dat hij zich nog steeds niet fit voelde.

De afgelopen tijd heeft Pieter tijdens het samenzijn met Nellie,verschillende momenten gehad om haar alles te vertellen. Hij heeft het afschuwelijke ogenblikken gevonden. Het gebeurde meestal als ze dicht tegen elkaar in bed lagen,en Nellie hem zacht en liefdevol streelde. Die keer had hij er alles uit willen gooien. Nellie had toen zijn plotseling veranderde gelaatsuitdrukking opgemerkt. Ook had zij enkele tranen in zijn ogen waargenomen. Pieter had zich toen uit haar innige omarming los geworsteld en was onder het mom van ‘nodig naar het toilet te moeten’,uit bed gestapt. Na een poosje daar te hebben gezeten,tot hij zichzelf weer enigszins onder controle had, was hij weer in bed gestapt. Nellie had hem zonder iets te vragen vervolgens in haar armen genomen,en zijn hoofd zacht tegen haar borsten had gelegd.

                                                           *

Petra klapt de ordner, genummerd B3, dicht. Stijf geworden van het lange zitten staat ze uit haar bureaustoel op. In diepe gedachten verzonken loopt ze naar het raam, en kijkt naar buiten, waar het drukke verkeer beneden op de kruising een weg probeert te vinden. Laat de nieuwe werkplek dan niet echt ideaal zijn,het uitzicht is wel heel fraai. Het carillon in de toren slaat twaalf uur. Met haar vingers masseert ze haar slapen. Ze heeft zich de voorbijgegane uren bezig gehouden met het doorspitten van de met name de getuigenverklaringen,op zoek naar verborgen aanwijzingen, die ze misschien over het hoofd hebben gezien. Petra moet er niet aan denken dat de moord op Maartje Visser als onopgelost in het archief zou verdwijnen, om vervolgens over een aantal jaren door het Coltcase team weer uit het stof te worden gehaald. Twee maanden aan een moordzaak werken zonder een steek verder te zijn komen, is geen prettige gedachte. Na drie teamleden ingeleverd te moeten hebben, is ze zich meer dan te doen gebruikelijk,met het onderzoek gaan beziggehouden. Het is wellicht geen verstandige zet van haar geweest, door zich persoonlijk met de zaak te bemoeien. Op die manier zou ze volgens de geldende protocollen minder goed in staat zijn om haar team aan te sturen. Ze vertrouwt onvoorwaardelijk op haar team, die zonder enige uitzondering uit zeer ervaren rechercheurs bestaat. Daarom voelt ze zich ook niet bezwaard.

In overleg met haar team, heeft Petra zelf het getuigenverhoor van Stientje, de huishoudelijke hulp van Maartje Visser, gedaan. Uiteindelijk is het zij geweest, die de bewuste maandagochtend ‘haar mevrouw’ , zoals ze Maartje Visser noemde, levenloos in haar woning heeft aangetroffen. Gelet op de labiele geestelijke toestand waarin Stientje toen verkeerde, heeft Petra een paar dagen met het eerste verhoor gewacht. Vervolgens heeft ze de vrouw de eerste keer in haar woning verhoord. Dat verhoor was op zich wel goed verlopen. Wel was het Petra opgevallen,dat Stientje trilde als een blad aan de boom, wat eigenlijk ook niet verwonderlijk was, na wat zij mee heeft moeten maken. Maar als Petra haar veertien dagen later opnieuw, en nu aan het bureau,verhoort, is ze toch wel verbaasd, dat Stientje nog steeds bibberend met een koffiebeker in haar handen geklemd, tegenover haar zit. Er was iets in de houding van Stientje, wat Petra niet kon duiden. Iets wat haar niet beviel. Maar wat? Daar had zij op dat moment ook geen antwoord op. Heeft Stientje geheimen? Kent ze misschien mensen, die Maartje regelmatig bezochten,en waarvan de politie nog niet op de hoogte is? Tot nu toe is Stientje de belangrijkste getuige. Het uitgebreide buurtonderzoek heeft niets bijzonders opgeleverd. Maartje had geen familie in Nederland wonen. Petra hoopt in stilte dat ervan de zijde van het notariskantoor misschien bruikbare informatie komt ? Hoe komt het toch, zo vraagt ze zich af, dat haar gedachten steeds weer bij Stientje uitkomen? Zij was tot na de dood van haar ‘mevrouw’ de enige gemachtigde voor Maartje Visser voor wat al haar bankzaken betreft, inclusief haar spaarrekeningen, waar een aanzienlijk bedrag op stond. Vanaf het overlijden tot het moment dat de bankrekeningen geblokkeerd werden is er geen geld opgenomen.

Als door een wesp gestoken schiet Petra bij het raam, waar ze nog steeds stond,vandaan, ploft in haar bureaustoel neer en grijpt de ordner die ze die ochtend helemaal doorgespit heeft. Ze begint als een bezetene de ordner door te bladeren. Als ze gevonden heeft, of liever gezegd wat ze die ochtend niet tegengekomen is, slaat ze de beide handen voor haar gezicht. Een gevoel van woede, diepe schaamte en ernstig zelfverwijt maakt zich van haar meester. Hoe heeft dit toch kunnen gebeuren? Dat zij, Petra,meer dan twintig jaar werkzaam bij de politie met ruim vijftien jaar recherche ervaring, en sinds anderhalf jaar teamleider heeft een beginnersfout van een rechercheur in opleiding over het hoofd gezien. Wordt vervolgd.

Advertenties

De Pizzazuster 5 (slot)

 

logo pizzazuster_Monique BuisingDe Pizzazuster 5 (slot)

Merel heeft die ochtend in de verste verte niet kunnen vermoeden dat niet alleen haar werkdag, maar ook de rest van de dag op een bizarre wijze zou gaan verlopen. Maar ook haar leven zal spoedig een andere wending nemen. Hondsmoe en met een zeurende hoofdpijn rijdt Merel het ziekenhuisterrein af. Ze merkt niet eens dat de helderblauwe lucht van eerder die ochtend plaats heeft gemaakt voor een donker wolkendek, waaruit de eerste dikke regendruppen naar beneden komen. Voor het instappen heeft ze gezien dat het half twee is. Merel begrijpt er nog steeds niks van. Wat ze zich nog kan herinneren is, dat er na de eerste lange operatie even tijd was om een kopje koffie te drinken. Op verzoek van de teamleider had ze ermee ingestemd om bij de tweede operatie de anesthesie te doen. Ze kan zich nog herinneren dat kort na aanvang van de tweede operatie de ruimte om haar heen was beginnen te draaien. Op het moment dat ze weer bij haar positieven kwam, lag ze in één van de behandelkamers op de Spoedeisende Hulp. Na daar meer dan een uur te hebben gelegen, had de arts haar laten weten, dat het verantwoord was om met eigen auto naar huis te rijden. Merel heeft wel het advies gekregen om het tenminste de eerste vier weken rustig aan te doen.

Fokelien en Fokke zitten net in hun dienstauto als de eerste dikke regendruppels op het voorruit vallen. In een mum van tijd valt de regen met bakken uit de lucht. Ze hebben voor de zekerheid even bij de woning aangebeld. Je weet maar nooit. Stel dat de vrouw, die ze nodig moeten spreken, haar auto juist vandaag voor een onderhoudsbeurt in de garage heeft en daarom maar een vrije dag heeft genomen. Ze bespreken de te volgen strategie die ze zullen hanteren als de vrouw zal verschijnen. Fokelien en Fokke zijn voorbereid op een aantal uren posten. Hoewel ze wel gewend zijn geraakt aan uren van posten, geven ze wel de voorkeur aan mooi droog weer, wat nu absoluut niet het geval is. Om goed zicht te houden op wat zich buiten afspeelt, laat Fokelien de ruitenwisser regelmatig de voorruit regenvrij maken. Maar echt helpen doet dat niet. Het uitzicht wordt er door de alsmaar hevig wordende regen niet beter op. Fokelien schrikt als haar collega met een ruk overeind schiet. Dan ziet ze wat Fokke al opgemerkt had: de donkerblauwe Fiat 500.

Nadat de vrouw de Fiat 500 naast hun dienstauto tot stilstand heeft gebracht, aarzelen ze ondanks de hevige regen geen moment, en stappen snel uit zodat ze de vrouw, die inmiddels ook is uitgestapt en aanstalten maakt om in een draf haar woning te bereiken, aan te spreken. Geschrokken kijkt ze beurtelings Fokelien en Fokke aan. Nog beduusd van de onverwachte ontmoeting neemt de vrouw op uitnodiging van Fokke vervolgens achterin de dienstauto plaats.

Een kwartier later parkeert Fokke de dienstauto in een vrij parkeervak aan de zijkant van het ziekenhuis. Als Fokelien op de buitenbel van het mortuariumgebouwtje drukt, klinkt het akelig schelle geluid van de bel door de holle ruimte van de gang. Luttele ogenblikken later opent Pieter, één van de vaste mortuariummedewerkers, de buitendeur en begroet zijn bezoekers met een korte knik. Fokelien en Fokke hebben het liever te doen met Pieters collega Trijntje, die altijd even opgewekt is, maar bovenal veel meer gevoel voor piëteit heeft dan de veel stuggere Pieter. Pieter kan nogal eens bot uit de hoek komen op momenten dat botheid niet bepaald gewenst is.

Merel, die tussen Fokken en Fokelien in staat, draait even haar hoofd weg, als Pieter het laken aan het hoofdeinde van de baar optilt. Als ze vervolgens naar het dode gezicht kijkt, knikt ze kort als teken van herkenning en draait zich vervolgens om naar Fokelien die haar troostvol in haar armen opvangt. Fokelien heeft met Merel te doen, als ze haar zacht hoort snikken. Intussen kijkt Fokke wat verlegen om zich heen. Dit soort emotionele momenten is niet bepaald zijn ding. Met een kort hoofdknikje laat hij Pieter weten dat de lade met daarop het lichaam van Merel haar broer Nico weer teruggeschoven kan worden. Tijdens de confrontatie heeft Fokke driftig nagedacht hoe hij en Fokelien de situatie in Merels woning aan zal gaan pakken. Fokke besluit voor zichzelf om straks, nadat ze het ziekenhuis hebben verlaten, maar gelijk door te pakken door Merel te verzoeken medewerking te verlenen bij het instellen van een onderzoek naar de vervuiling in haar woning.

De stortbuien van de afgelopen uren zijn inmiddels overgegaan in een miezerige regen als Fokke de donkerrode dienstwagen in de nabijheid van de woning van Merel parkeert. In tegenstelling tot de heenreis, die zeer zwijgzaam verliep, is het Fokelien tijdens de rit terug gelukt Merel aan het praten te krijgen. Bij Fokke was daardoor een bevrijdend gevoel ontstaan. Nu hoefde hij Merel niet te bewegen om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar de situatie in haar huis. Door op een ontspannen en betrokken wijze wat vragen te stellen, was het zijn collega Fokelien gelukt om aardig wat achtergrondinformatie los te peuteren over haar leven en wonen. Met gebogen hoofd en vol schaamte heeft Merel Fokelien verklaard, dat haar woning binnen een puinzooi is. Maar ook, dat zij, net als bij haar overleden broer Nico het geval was, het leven niet op orde weet te houden. Als Merel in haar schoudertas op zoek is naar een tissue, ziet ze de brief met het ziekenhuislogo. Zonder enige terughoudendheid pakt ze de ongeopende brief uit haar tas en overhandigt deze aan Fokelien.

Overgave

‘Kijk niet naar de rommel,’ zegt Merel verontschuldigend als Fokelien en Fokke midden in haar woonkamer staan en de situatie in zich opnemen. Het schaamrood staat haar op de kaken. Op de grond tegen de muur onder de klok ziet Fokelien zeker een tiental lege sherryflessen liggen. Fokke heeft inmiddels een aanzienlijke stapel ongeopende post op de grote tafel ontdekt. Een tafel die eens als eettafel dienst deed. Op verzoek van Fokelien schuift Merel de gordijnen iets opzij, zodat ze bij daglicht een beter beeld kunnen krijgen van de enorme puinhoop in de woonkamer. De stoelen liggen vol met boeken, tijdschriften, kranten en kledingstukken. Fokelien en Fokke hebben Merels aanbod om te gaan zitten vriendelijk afgewezen. Terwijl Fokelien de chaos in de woonkamer in zich opneemt, ziet ze Merel met betraande ogen bij het raam staan. Hoewel ze wel het één en ander gewend is, raakt het Fokelien behoorlijk. Met een warme blik in haar ogen, ten teken van oprecht medeleven, knijpt Fokelien bij het voorbijgaan Merel zacht in haar bovenarm.

Stilzwijgend zijn ze inmiddels in de keuken gearriveerd. Ondanks het feit dat Fokke nogal rationeel en dus zakelijk ingesteld is, schokt het hem toch wat hij hier ziet. Dat heeft niet zo zeer te maken met de enorme bende, maar meer met het feit dat deze vrouw met zo’n respectabele baan, er privé zo’n puinhoop van heeft weten te maken. Hoe langer ze in de totaal verwaarloosde keuken staan, des te erger de stank tot hen door begint te dringen.

Met het gesloten raam en de blauwe vleesvliegen nog op haar netvlies, vraagt Fokelien aan Merel of zij even boven een kijkje mogen nemen. Met een gebogen hoofd en een kort deemoedig knikje, geeft Merel er blijk van geen bezwaar te hebben. Merel gaat hen voor de houten en ongestoffeerde trap op. Fokelien merkt dat Merel vecht tegen een nieuwe stroom tranen. Stilzwijgend opent Merel de deur naar haar slaapkamer. Tegen de lange achterwand staat een onopgemaakt tweepersoonsbed, dat er in betere tijden zeker heel fraai uit heeft gezien. Hetzelfde geldt voor de prachtige eikenhouten linnenkast, waarvan beide deuren wagenwijd open staan. De inhoud, bestaande uit kleding, schoenen en verschrikkelijk veel tassen, puilt brutaal naar buiten. Op de kast ligt een dikke laag stof van minstens een jaar oud, als het niet langer is. Fokelien laat de slaapkamer voor wat die is en neemt een kijkje in de douche annex toiletruimte, dat meer weg heeft van een ongeordend berghok. Op de plaats waar de eigenlijke doucheruimte is, ligt een grote hoeveelheid vuile was, bestaande uit beddengoed, onder- en bovenkleding aangevuld met allerlei rotzooi, die beslist niet in een doucheruimte thuis hoort. Onder de vuile lakens en kleding zijn de contouren van een wasmachine zichtbaar, die zo het lijkt, al in geen tijden enige arbeid heeft verricht. Alleen de toiletpot oogt aardig schoon, wat niet opgaat voor de bijbehorende wastafel, die vol met resten tandpasta, haren en sporen van lipstickresten zit. Fokelien vraagt zich verbijsterd af, hoe iemand in vredesnaam hier met goed fatsoen kan wonen. Natuurlijk heeft zij dit soort situaties veel vaker gezien, maar in die gevallen ging het veelal om mensen met psychiatrische of maatschappelijk gerelateerde problematiek. Ontspoorde lieden, die in eenzaamheid en zonder werk en veelal met een uitkering de dag probeerden door te komen.

Fokke heeft inmiddels ook de slaapkamer van Merel verlaten en staat voor de gesloten deur van een andere kamer op dezelfde verdieping. De kamer met het uitzicht op de achtertuin. Op het moment dat Fokke de kruk van de kamerdeur in de hand heeft, hoort hij achter zich het luide snikken van Merel, die inmiddels achter hem is komen staan. Fokke heeft het met haar te doen. Hij draait zich om en vraagt waarom ze huilt. “Omdat het allemaal zo vreselijk is” antwoord Merel tussen het snikken door, haar tranen met een arm wegvegend. Dan opent Fokke de deur en terwijl hij op het punt staat de kamer te betreden, wordt hij tegen gehouden door een muur van een ondragelijke stank. Doordat de gordijnen gesloten zijn is het pikkedonker in de kamer. Gelukkig zit de lichtschakelaar op de bekende plaats. Fokke drukt op de lichtschakelaar, maar deze doet het niet. Het blijft donker in de kamer. Hij sluit kokhalzend de deur en kijkt Merel aan die beschaamd en met betraande ogen hem aanstaart. Op zijn vraagt waarom de lichtschakelaar het niet doet, geeft ze geen antwoord. Enkele minuten later doet Fokke een nieuwe poging nadat hij eerst zijn staaflantaarn uit de dienstauto heeft opgehaald. Ook heeft hij voor de zekerheid maar handschoenen, wegwerp overalls en mondkapjes meegenomen. In de bundel van het licht van de lantaarn wordt pas echt duidelijk wat er aan de hand is. Fokke pakt zijn mobiel uit zijn broekzak en toetst een nummer in.

Het is half een in de nacht. Merel heeft de klok van twaalf uur gemist, althans bewust. Als een klein zielig vogeltje zit ze ineengedoken op haar versleten bank in de woonkamer. Met een glas whisky in haar hand en een hoofd vol met gedachten, staart ze in het niets. Ze heeft het gevoel of ze vanaf de middag van de inmiddels vorige dag in een horrorfilm heeft gezeten. Haar hand trilt, terwijl ze een slok uit haar glas neemt. Haar ogen voelen loodzwaar, terwijl haar hoofd ieder moment uit elkaar lijkt te kunnen spatten. De beelden van de afgelopen middag en avond spelen zich opnieuw voor haar geestesoog af. Opnieuw beleeft ze het schaamtegevoel toen vier vreemde kerels, gekleed in blauwe weggooioverals, haar woning, en daarmee haar leven binnen gedrongen waren. De mannen hadden honderden vuilniszakken met stinkend huisvuil door het geopend raam naar buiten gegooid, waar ze vervolgens in gereedstaande containers terecht kwamen. Behalve de vuilniszakken met de stinkende inhoud, hadden die ‘vreemde mannen’ rond de zevenhonderd lege pizzadozen geteld. Veel van die pizzadozen bevatten nog restanten van rottende en stinkende pizza’s, die tussen het stinkend huisvuil in de kamer opgeslagen hadden gelegen. Doordat het vocht van het afval in de wollen vloerbedekking was getrokken, hadden de mannen van het bedrijf ook de vloerbedekking verwijderd en afgevoerd. Rond acht uur waren de mannen pas weer vertrokken.

Terwijl zij door haar huis hadden gebanjerd, had Merel haar hart bij Fokelien uitgestort. Ze had haar alles verteld. Vanaf haar jeugd; het misbruik door de leraar op school, over de scheiding van haar ouders, later. Maar ook over haar inmiddels chronisch geworden geldzorgen en haar verborgen psychische nood en haar angst om zich bij de hulpverlening aan te melden. Toen Fokelien over haar alcoholverslaving was begonnen, was Merel ‘door het lint gegaan’ en was in grote woede tegen Fokelien uitgebarsten. Waar zij zich wel niet mee bemoeide om haar, haar laatste ‘strohalm’ ook nog wel te willen ontnemen? De woede was overigens maar van korte duur was geweest en had daarna plaats gemaakt voor diep verdriet, met de daarbij gepaard gaande huilbui, die niet meer leek op te houden. Uitgeput had Merel zich vervolgens overgegeven en had ingestemd met de door Fokelien voorgestelde hulp.

De klok slaat opnieuw. Merel kijkt naar de wijzers, die achter het glas van de klok lijken te bewegen als waaiend riet. Het is inmiddels half twee. Merel kijkt lodderig in haar bijna lege glas, die voor haar op de salontafel staat. De fles met nog een kwart liter whisky staat op de grond. Ze grijpt mis waardoor de fles bijna omvalt. Nog net op tijd weet ze de fles bij de hals te grijpen en schenkt de laatste whisky in haar lege glas. Na een slok te hebben genomen, vlijt ze op de bank neer en wordt bijna gelijktijdig overvallen door een diepe slaap. Buiten is het donker en stil. Voor het eerst heeft de nachtelijke wind vrij spel door de openstaande ramen op de bovenverdieping, terwijl de blauwe vleesvliegen al uren daarvoor op de vlucht waren geslagen, op zoek naar nieuw voedsel.

Hielke Houtsma

Illustratie: Monique Buising

Tekst correctie: Irma Kurpershoek

Dilemma 2

PD 1

Dilemma        (2)

Met een mok dampende koffie tussen haar handen geklemd, staat Stientje, in gedachten verzonken, voor het keukenraam van haar ruime flat naar buiten te kijken. Voor de vierde achtereenvolgende dag daalt een druilerige regen uit het grijze wolkendek. Bij helder weer heeft ze vanaf de vijfde etage een prachtig uitzicht over haar geliefde stad, waar ze inmiddels alweer zes jaar woont. Daarvoor heeft zij met haar man, Herman en diens zoon, ruim twintig jaar een vrijstaande woning met een grote tuin in een nabijgelegen dorp bewoond. Een jaar na het plotseling overlijden van Herman is ze naar haar huidige flat aan de rand van de stad verhuisd. Als het zicht heel helder is, kan ze zelfs de kerktoren van het dorp zien. Het regenachtige weer maakt Stientje extra somber. Maar haar echte somberheid is niet het gevolg van het grijze herfstweer. Vanaf het moment dat zij op die maandagochtend in juli, inmiddels ruim twee maanden geleden, het ontzielde en halfnaakte lichaam van Maartje Visser in haar woning aantrof, is haar leven voorgoed veranderd. Sindsdien lukt het haar niet meer om van het geweldige uitzicht, maar ook van haar leven te genieten. Haar leven is als het ware tot stilstand gekomen. Voor de zoveelste keer dwalen haar gedachten opnieuw af naar die bewuste maandagochtend. Na de lugubere vondst heeft ze nachten achtereen niet kunnen slapen. Steeds opnieuw verschenen tijdens de nachtelijke uren de afschuwelijke beelden als een horrorfilm op haar netvlies. De wijd opengesperde starre ogen van ‘haar mevrouw’ waar ze meer dan twintig jaar met veel plezier de huishouding had gedaan. Ze ziet nog steeds het halfnaakte lichaam met de opzij gezakte borsten voor zich. Maar ook de blauwe verkleuringen in haar hals. Haar blote buik, haar ontblote venusheuvel met wat grijs geworden beharing. Nadat ze het huis van Maartje via de achterdeur was ontvlucht, had ze via het alarmnummer 112 de politie gebeld. Ze is niet meer in de woning terug geweest. Als een angstig kind, met haar mobiele telefoon nog in haar bevende handen geklemd, was ze door twee agenten helemaal achter in de tuin aangetroffen. Stientje voelt nog de troostende hand van de agent om haar schouder, toen deze haar jas en haar tas aan haar had terug gegeven. Ze had, onder begeleiding van de twee politieagenten, de tuin verlaten. Toen ze onder het inmiddels aangebrachte rood-witte lint door moest, had een luguber gevoel zich van haar meester gemaakt.

De regen mot zachtjes tegen haar keukenraam als Stientje timide in haar mok koffie staart. De damp die aanvankelijk uit de mok op steeg, was geheel verdwenen. Na een slokje van de sterk afgekoelde koffie te hebben genomen, pakt ze de beide flappen van haar opengevallen ochtendjas bij elkaar. Als ze zich omdraait en een blik op de wandklok in de keuken werpt, huivert ze. Het is half negen, en bovendien ook nog maandag. Dezelfde dag en tijdstip, waarop ze die bewuste maandagochtend uit haar auto stapte om het huishoudelijk werk bij Maartje Visser te doen. Ze zet de halflege mok op het aanrecht. Net als ze van plan is om eerst maar eens een lekkere warme douche te nemen, schiet de gedachte aan de reservesleutel van het huis van Maartje als een scherpe pijnscheut door haar hoofd. Het zou toch niet… Ze probeert die vreselijke gedachten uit haar hoofd te zetten.

`                                                          *

Hoewel het gewoon haar werk is, voelt het voor Irma deze keer toch anders. Ze kan die onbestemde gevoelens maar niet uit haar hoofd zetten. Inmiddels heeft ze de tafel in de achterkamer dusdanig opgeruimd, zodat ze haar laptop, fotocamera en inventarislijsten daarop uit kan stallen. Als ze boven haar hoofd gestommel hoort, hoopt ze dat die engerd van een Pieter snel zal verdwijnen. Door zijn aanwezigheid in het huis van Maartje voelt ze zich ongemakkelijk. Domme muts! Waarom heeft ze dat onbehaaglijke gevoel toch? Ze probeert al doende met haar bezigheden een verklaring voor dat onbestemde gevoel te vinden. Zou het kunnen zijn, dat het met de tragische dood van Maartje Visser te maken heeft?

Het is immers de eerste keer in haar loopbaan, dat ze haar werk doet op een plaats waar een misdrijf gepleegd is. Bovendien heeft ze Maartje gekend, en heeft ze met meer dan gewone belangstelling de berichtgeving in de media gevolgd. Ze hoort tot haar opluchting dat iemand de trap afloopt. Dat zal die engerd zijn, denkt ze. Eindelijk… Als Pieter de woonkamer binnenkomt, realiseert Irma zich dat ze zweetdruppels op zijn brede voorhoofd ziet Dat kan nu niet van de regen zijn gekomen, zoals vanochtend vroeg wel het geval was. Ook zijn bleke gelaatskleur valt haar op. Zal hij zich niet goed voelen, of misschien een heftige avond of nacht achter de rug hebben? Irma durft het niet te vragen. Zeker niet aan hem. Ze had een dergelijke vraag wel aan Pieters voorganger, Henri, durven stellen. Dat was een toffe vent. Altijd even vriendelijk en behulpzaam. Irma mist hem nog steeds. Bah, ze merkt dat ze onzeker begint te worden, als ze ziet dat Pieter in de stoel van Maartje bij het raam gaat zitten en zijn bezwete hoofd met een ouderwetse zakdoek afwist. ‘Ga gerust je hang hoor,’ zegt ze tegen hem. Ze krijgt geen antwoord. Ze loopt ze naar de boekenkast om deze fotografisch vast te leggen. Het tellen en sorteren van de boeken kan altijd later nog wel, bedenkt ze. Als Pieter uit de stoel is opgestaan, ziet ze vanuit haar ooghoeken dat hij bezig is het aantal meubels in zich op te nemen en dat hij notities maakt.

Dan ziet Irma iets, wat haar opnieuw doet huiveren. Vergist ze zich? Nee, ze ziet het heel goed zelfs. Pieter kijkt na het opstaan naar de krijtstrepen op de vloerbedekking. Binnen die krijtstrepen had Maartje gelegen. Ook ziet ze, dat Pieter om de krijtstrepen heen loopt, terwijl hij de zweetdruppels nog steeds van zijn voorhoofd afveegt. Ze maakt zichzelf verwijten dat ze Pieter zo observeert. Een gevoel van schuld en schaamte bekruipt haar. Ze zou zich in diens plaats ook onbehaaglijk voelen om in een vertrek rond te moeten lopen waar iemand op een wrede wijze van het leven is beroofd. ‘Ik ben klaar,’ mompelt Pieter. Irma ziet nog net dat zijn hand trilt als hij zijn notitieboekje in de borstzak van zijn blauwe overall terug steekt. ‘Dat is snel,’ flapt ze er, voordat ze er erg in heeft, uit. Natuurlijk is ze blij, dat hij zo meteen vertrekt en zij het rijk alleen heeft. Maar ze vindt het vreemd dat Pieter in zo’n korte tijd de hele inventaris in de woonkamer heeft opgenomen. En dat terwijl hij, verhoudingsgewijs, erg lang boven bezig is geweest, terwijl er daar lang zoveel niet te inventariseren valt.

Als Pieter eindelijk vertrokken is, ruikt Irma pas ook zijn achtergelaten onaangename zweetgeur. Ze besluit om even te pauzeren om even tot zichzelf te komen. Haar hoofd zit momenteel veel voller van Pieter, dan van het vele werk dat ze hier nog te doen heeft. Tot haar schrik ziet ze op haar horloge dat het bijna elf uur is. ‘Gezelligheid kent geen tijd,’ zegt ze hardop en trekt haar coltrui over haar hoofd uit. De kust is nu veilig, daarbij terugdenkend aan hoe het haar was opgevallen dat Pieters ogen eerder die ochtend zo begeerlijk naar haar hadden gegluurd. De koffie uit haar meegebrachte thermosfles smaakt extra goed, als ze aan haar toch wel bijzonder mooie werk denkt. Ze heeft veel vrijheid en haar werk is bovenal heel afwisselend. Haar inmiddels min of meer vrolijk geworden stemming slaat om in irritatie, als de voordeurbel gaat. Irma weet niet zeker of de persoon die nu aanbelt haar gezien heeft. Met kordate stappen loopt ze door de gang naar de voordeur. Ze zal deze persoon gauw even afpoeieren en dan weer snel met haar werk verder gaan.

Dat het echter onverwacht heel anders zou gaan lopen, kon Irma van tevoren niet bedenken. Als ze de voordeur opent, komt ze oog in oog te staan met een totaal verbijsterd uitziende vrouw, die, zodra ze Irma ontwaart, als aan de grond genageld blijft staan met in haar enigszins trillende rechterhand een huissleutel geklemd.

 Terwijl het daglicht door een spleet van de oude gordijnen van de slaapkamer naar binnen glipt, is Pieter bezig wakker te worden. Traag komt hij uit zijn bed en zet zijn voeten op het oude kleedje dat voor het bed ligt. Het bed, dat eigenlijk allang verschoond had moeten worden. Maar goed dat er nooit iemand komt. Hij zou zich diep schamen als iemand zou zien wat voor een ontzettende chaos het in zijn kleine huisje is. Nog een beetje onzeker op zijn voeten staand, loopt hij naar de woonkamer, ondertussen met zijn handen door zijn warrige haardos woelend. Het is gisteravond laat geworden. Bovendien heeft hij teveel gedronken. Vaak walgt hij van zichzelf als hij weer dronken is geweest. Hoe hij thuis is gekomen, kan hij zich niet meer herinneren. Waarschijnlijk heeft iemand hem thuis afgeleverd, want geld om een taxi te betalen had hij niet meer. Al peinzende hoe hij deze dag door zal moeten komen, schuift hij de versleten gordijnen van zijn voorkamer iets terug om een blik naar de buitenwereld te werpen. Zo te zien lijkt het opnieuw een grijze dag gaan worden? Het grijze regenachtige weer van de laatste twee weken maakt hem nog meer neerslachtig dan hij al is.

Buiten slaat de klok van de Nederlands Hervormde kerk zeven maal. Pieter zoekt zijn horloge. Waar heeft hij die gelaten, en wat voor dag is het eigenlijk vandaag? Ja, nu weet hij het weer. Het is maandag. Ineens is hij klaarwakker. Straks moet hij immers naar die woning. Ook dat nog. Zal hij zich opnieuw ziek melden, net als vrijdag? Voor het eerst in zijn leven gaat hij vandaag met tegenzin naar zijn werk. En dat is nog zwak uitgedrukt. Het is meer een kwestie van ‘met lood in de schoenen’ naar het werk gaan. Nadat hij afgelopen vrijdagmiddag de opdracht van zijn baas heeft gekregen, om vandaag de inboedel in die woning te inventariseren, is hij niet meer in staat geweest om zijn werk naar behoren uit te voeren. Hij heeft slechts twee van de vier verhuiswagens gewassen. Daarna heeft hij zich ziek gemeld. Hij ziet nog de verbaasde blik van zijn baas voor zich. Pieter en ziek, dat hoort absoluut niet bij elkaar. Zijn bleek vertrokken gezicht en zijn trillende handen waren zijn baas wel opgevallen. Reden om hem, Pieter, gelijk naar huis te sturen. Thuisgekomen had hij gelijk zijn vriend, met wie hij zaterdag naar de cross zou gaan, afgebeld. Hij had zich er zo op verheugd, tot het moment dat zijn baas hem die opdracht had gegeven. Zijn wereld was ingestort. Vervolgens had hij zich vertwijfeld afgevraagd hoe hij met zo’n vooruitzicht in vredesnaam het weekend door moest komen? Gekweld door barstende koppijn, mede veroorzaakt door te vele glazen whisky, die hij onder andere. in de kroeg ‘Bij kreupele Willem’ had genuttigd, had hij zich door het weekend heen gesleept. Hij had zaterdag zelfs zijn vriendin Nellie afgebeld, waar hij aanvankelijk zondag naartoe zou gaan.

Moeizaam en nog steeds wat onvast op zijn benen, begeeft hij zich naar de douche annex toiletruimte. Eigenlijk moet hij het huis weer eens een flinke schoonmaakbeurt geven. Nu moet hij daar niet aan denken. Hij heeft nu wel wat anders aan zijn hoofd dan zijn huis poetsen. De douche ruikt niet bepaald fris. De handdoeken hebben zeker in geen weken de binnenkant van de wasmachine gezien. Met tegenzin zet hij de kranen open, en hoopt dat ij zich daarna een beetje meer mens voelt

*

Als Stientje bijna stapvoets voor het huis langsrijdt, klopt het hart in haar keel. Aangezien er net een tegenligger aan kwam rijden, is het haar niet gelukt om even opzij te kijken. Waarom ze opzij wilde kijken weet ze eigenlijk zelf niet. Ze voelt zich als een inbreker, die bezig is om het object waar hij zijn slag wil slaan, aan een observatie te onderwerpen. Ze voelt ook schaamte en schuld. Zo betrouwbaar als ze altijd is geweest, staat ze nu op het punt in te gaan breken. Nou ja, inbreken is niet het goede woord. Ze heeft haar auto een straat verderop geparkeerd. Even heeft ze overwogen om achterom te gaan, om via de achterdeur het huis te betreden. Maar ze heeft dat voornemen snel uit haar hoofd gezet. Stel je eens voor, dat nieuwsgierige buren haar door de tuin zien lopen en haar niet zouden herkennen, om vervolgens de politie te bellen. Ze klemt de sleutel van de voordeur extra stevig in haar bevende hand vast. Nadat ze vanochtend net voor het douchen aan hem moest denken, schoot ook de reservesleutel door haar hoofd. Sindsdien heeft ze geen minuut rust meer gehad. Ze moet en zal het willen weten. Nu. Slechts twee personen zijn op de hoogte van de geheime bergplaats van die sleutel. De gedachte dat de politie de sleutel tijdens het onderzoek in de woning heeft gevonden stelt haar niet gerust. Na een korte douche en zich snel te hebben aangekleed, is ze in haar auto gestapt. Naarmate ze dichter het dorp naderde, was de adrenaline in haar bloed explosief gaan stijgen. Met de hand boven haar ogen tuurt Stientje door het voorkamerraam naar binnen. Ze ziet door de weerkaatsing van het licht alleen Maartje haar vertrouwde stoel staan. Als ze beter kijkt, ziet ze dat alle meubels nog op de plaats staan. Behalve haar snel kloppende hart, lopen er koude rillingen over haar rug. Waarom ze vervolgens aanbelt, weet ze eigenlijk zelf niet. Krankzinnig eigenlijk. Wie zou er nu in de woning aanwezig moeten zijn? Ze heeft de sleutel in haar inmiddels trillende hand en steekt deze in het slot van de voordeur. Voordat ze de sleutel omdraait kijkt ze nog snel even over haar schouder, om er zeker van te zijn dat niemand haar ziet. Op dat moment wordt de voordeur van binnenuit open gedaan. Als versteend staat Stientje oog in oog met een haar onbekende vrouw, die haar met een priemende blik in haar heldere ogen aankijkt, wachtend op een reactie van Stientje, die nog steeds als aan de grond genageld de vrouw aanstaart.

Wordt vervolgd.

Dilemma (1)

PD 1

Dilemma (1)

De gewelddadige dood van Maartje Visser had de hele dorpsgemeenschap geschokt. Het is alweer meer dan twee maanden geleden dat Stientje, de huishoudelijke hulp van Maartje, op die maandagochtend het ontzielde lichaam van de zeventigjarige vrouw in de woonkamer van haar woning aan de Celsiusstraat had aangetroffen. Het was haar, achteraf gezien, alleen opgevallen dat Maartje niet op haar vertrouwde plekje bij het raam had gezeten, van waaruit ze altijd vrolijk naar haar hulp zwaaide. Maar op het moment dat Stientje de huissleutel in het slot van de voordeur stak, waren haar eerdere gedachten alweer in het niet verdwenen. Met het altijd ’Goedemorgen, ik ben het’, had zij haar jas en tas aan de kapstok in de gang opgehangen. In de woonkamer gekomen, had ze Maartje Visser op haar rug liggend op de grond voor haar stoel bij het raam aangetroffen. Met beide handen voor haar mond geslagen en een gil onderdrukkend, staarde Stientje in de wijd opengesperde dode ogen van Maartje. Haar altijd vriendelijke uitstraling was veranderd in een ondoorgrondelijke starre koude blik. Nadat ze zich van de dode aanblik had losgemaakt, ontdekte Stientje pas dat Maartje bijna naakt was. Met een gevoel van schaamte bij het zien van het halfnaakte lichaam was ze naar buiten uitgerend. Eenmaal buiten had ze met haar mobiel 112 gebeld. Zowel haar handen als haar stem hadden gebeefd toen ze de melding aan de centralist deed.

                                                                                 *

De hevige stortbui van de afgelopen nacht heeft plaatsgemaakt voor een druilerige regen. Boven het kleine dorp hangt een grijs wolkendek als Irma haar donderblauwe Audi 160 nabij perceel Celsiusstraat 20 parkeert. Irma kijkt vanuit haar auto naar de keurig onderhouden rijtjeswoning. Dan ziet ze de in een blauwe overall gestoken man voor de woning staan. De man zal zeker niet ouder dan rond de vijfendertig jaar zijn, schat ze. Ze kijkt enigszins geschrokken op haar horloge. Ze is toch niet te laat? Haar horloge geeft kwart over acht aan. Ze stelt tevreden vast dat ze mooi op tijd is, aangezien ze met het verhuisbedrijf om half negen heeft afgesproken. Ze ziet dat de man in zijn blauwe overall haar blijkbaar nog niet heeft opgemerkt. Enigszins verveeld staat hij, sigaret rokend, naar de grijze lucht te staren. Niet bepaald een atletisch figuur, bedenkt ze als ze de gebolde buik onder zijn overall ontwaart. Opnieuw staart ze naar de oude woning waar ze vandaag, en wellicht ook morgen, in zal moeten bivakkeren. Haar uitzicht wordt door de regen op de voorruit van haar auto steeds meer belemmerd. Irma buigt zich naar rechts voorover en pakt haar bruinleren schoudertas met daarin onder andere haar laptop en mobiele telefoon van de passagiersstoel. Na nog een laatste blik op de grijze lucht boven haar geworpen te hebben, opent ze het portier van haar geliefde stadsauto. Net op tijd ziet ze de plas regenwater op het trottoir. Oeps, het scheelde niet veel of ze had op deze vroege maandagochtend al natte voeten opgelopen. Na de auto afgesloten te hebben, zet ze de kraag van haar amberkleurige jack omhoog en loopt in versnelde pas en met enigszins gebogen hoofd tegen de druilerige regen naar de woning. Als ze in de gang van de betreffende woning staat, huivert ze. Ze stopt de sleutel waarmee ze de voordeur heeft geopend, terug in een grote bruine enveloppe. Ze voelt zelfs koude rillingen over haar lijf gaan. Als ze haar jack heeft uitgetrokken voelt ze kippenvel op haar onderarmen. Is het de druilerige regen en de lage buitentemperatuur die voor het kippenvel zorgen of is er een andere oorzaak? Heeft het misschien met de korte kennismaking met de man van het verhuisbedrijf in zijn blauwe overall en gebolde buik te maken?

*

Hij had zich aan haar voorgesteld met de woorden: ’Ik ben Pieter’. Ze voelt nog zijn weke en klef aanvoelende hand met de worstvingers, die haar hand langer vast heeft gehouden dan beslist noodzakelijk was. Pieter had haar met zijn grijze ogen en lege uitdrukking aangekeken. Nadat ze hem met een priemende blik had aangekeken, ging zijn koele en uitdrukkingloze blik over haar lichaam. Hij had zelfs de brutaliteit gehad om ter hoogte van haar borsten even pauze te nemen. Wat een geluk dat ze die ochtend in verband met haar werkzaamheden die dag voor een coltrui heeft gekozen. Had ze het goed gezien, dat er nu al zweetdruppels op zijn voorhoofd en rond zijn haviksneus parelden? En dat terwijl hij nog niks aan fysieke arbeid had gedaan, wat ook niet de bedoeling was. De afspraak die Irma een week van tevoren met de baas van het verhuisbedrijf had gemaakt, hield alleen in, dat er iemand van het verhuisbedrijf aanwezig zou zijn om de inboedel, die opgeslagen moest worden, op omvang te schatten. Daarnaast zou er een kostencalculatie gemaakt moeten worden. Irma heeft expres deze vroege maandagochtend uitgekozen, omdat ze zeker de hele dag wel bezig zal zijn met het inventariseren en registreren van de inboedel. Bovendien moet alles fotografisch vastgelegd en op waarde geschat worden.

Al vanaf het moment dat de moord op de zeventigjarige Maartje Visser via de pers naar buiten kwam, is Irma de ontwikkelingen blijven volgen. Ze kan maar geen redelijke verklaring bedenken waarom ze meer dan gemiddelde belangstelling voor de gruwelijke gebeurtenis heeft. Het is zelfs een vreemd soort van fascinatie dat ze de afgelopen maanden heeft ontwikkeld. Okay, ze kende Maartje nog uit de periode dat ze zelf nog in het dorp woonde, inmiddels heel wat jaren geleden. En wat is kennen? Iedereen kende Maartje tot op zekere hoogte. Vooral als mededorpsgenoot, die voor iedereen een vriendelijk woord en een luisterend oor had. Maartje Visser is na de overval in haar woning verkracht en vervolgens met de ceintuur van haar eigen kamerjas gewurgd, had Irma uit de berichtgeving in de pers begrepen. De woning van Maartje was niet overhoop gehaald. Er zijn geen braaksporen gevonden die op een inbraak zouden kunnen wijzen. De politie heeft vorige maand nog de medewerking van de inwoners van het dorp gevraagd om bijzonderheden met betrekking tot verdachte personen of situaties via een speciaal daartoe opengesteld telefoonnummer bij de politie te melden. Irma haar gedachten gaan terug naar het moment dat ze net onder de douche vandaan was gekomen en de uitzending van ‘Opsporing Verzocht’ net begonnen was. Ook toen had ze gehuiverd. Maar dat had een andere oorzaak. Met een groot badlaken om haar lichaam geslagen, en met half natte voeten in haar badstoffen muiltjes gestoken, had ze op de hoek van haar bank de beelden voorbij zien komen. Maartje was een knappe vrouw met mooi zilvergrijs haar en een mooi vol gezicht. Irma moest toen nog aan haar inmiddels overleden tante Bettie uit Barneveld denken Ondanks dit alles had het Irma nog niet verder geholpen bij het vinden van de reden, waarom ze meer dan gewone belangstelling voor deze moord heeft ontwikkeld.

*

Irma staat inmiddels in de woonkamer, die tot voor kort een vertrouwde plek voor Maartje Visser was geweest. Doordat het huis al meer dan twee maanden onbewoond is, ruikt de woning een beetje muffig. Irma kijkt de woonkamer rond. De oude en deels antieke meubels, waar de woonkamer vol mee staat, lijken Irma wat droevig aan te staren. Dan vangt haar blik de verbleekte krijtstrepen op het versleten tapijt, dat op de eveneens versleten vloerbedekking ligt. Aan de vorm is te zien dat daar Maartje heeft moeten liggen. Nu ze hier staat, naast de leren stoel met hoge rugleuning, ziet ze de beelden van de vermoorde vrouw voor zich. De stoel, waar Maartje waarschijnlijk altijd in gezeten heeft, met als uitzicht het plantsoen aan de overzijde van de straat.

Beelden die steeds concreter en helderder worden. Beelden die vergezeld worden door flarden van woorden. Woorden die maar geen zinnen willen worden. Toch gaat de beeldvorming verder. Irma krijgt het er warm van. Als ze in de stoel van Maartje gaat zitten, zakt ze weg in het soepele leer, waarbij haar linkerarm op een pijnlijke wijze in contact komt met de beklede armleuning. Ze zakt achterover tegen de hoge rugleuning. Van hieruit heeft ze een uitzicht op de rest van de kamer. Een onaangeroerde kamer waar alle meubelstukken nog op hun plaats staan. Toch wel een beetje vreemd dat de meubels na het grondig uitgevoerde politieonderzoek er zo onaangeroerd bij staan, denkt ze bij zichzelf. Na vandaag, maar zeker morgen, zullen die mooie oude meubels door vreemde mannenhanden vastgepakt, opgetild en weggevoerd worden. Ze zullen vervolgens over niet al te lange altijd voorgoed van elkaar gescheiden worden. Het glazen servieskastje zal ontdaan worden van haar prachtige porseleinen kopjes. En zal het schilderij van de ‘Stier van Potter’ een stoffige verhuisdeken over zich heen geworpen krijgen. Dan zullen deze meubels voor het eerst in hun rustige bestaan kennismaken met de buitenwereld, om vervolgens voorlopig in een grote, kille opslagloods terecht te komen. Het is slechts een kwestie van tijd als de smaakvol en warm ingerichte woonkamer van Maartje veranderd zal zijn in een kaal kil vertrek. Na het afvoeren van de meubels zal de oude belegen vloerbedekking door een scherp stanleymes doorkliefd worden. Daarmee zullen de verbleekte sporen, waar vele jaren de meubels hebben gestaan, voor altijd worden gewist.

In onpeilbaar diepe gedachten verzonken, zit Irma nog steeds in de leren stoel van Maartje. Ze staart opnieuw met een sombere blik naar de vage krijtstrepen op het tapijt. Het wordt hoogtijd om aan de slag te gaan. Er is nog veel werk te doen. De politie heeft pas onlangs de woning vrijgegeven. Kort na het vrijgeven heeft de gemeente het kantoor van ‘Van Gogh notarissen en advocaten’ de opdracht gegeven om een onderzoek naar mogelijke erfgenamen in te stellen. Als vrijgevestigd Beëdigd Taxateur roerende zaken heeft Irma van het notariskantoor het verzoek gekregen, om de gehele inboedel te inventariseren en te registeren. Tevens heeft ze van haar opdrachtgever de opdracht gekregen om, hangende het onderzoek, de inboedel tijdelijk op te laten slaan. Volgens de notaris zal het nog geruime tijd gaan duren dat het onderzoek naar nog in leven zijnde erfgenamen afgerond zal kunnen worden, zo heeft ze vernomen.

*

Pieter zit op die vrijdag aan zijn ‘vroeg bakje’ koffie te nippen als zijn baas, de eigenaar van het verhuisbedrijf waar hij al meer dan vijftien jaar werkzaam is, de kleine kantine binnenkomt. Hoewel Pieter graag werkt, kijkt hij altijd weer naar het vrije weekend uit. Morgen gaat hij met zijn boezemvriend naar een autocross buiten de regio. Nu maar hopen dat het weer een beetje beter mag gaan worden. De laatste dagen regent het constant, wat niet bepaald bevorderlijk is voor de kwaliteit van het parcours waar de cross zal worden gehouden. Pieter heeft met zijn vriend afgesproken dat ze na de wedstrijd bij het eetcafé van ‘Tante Bet’ een warme hap zullen nuttigen. ‘Goedemorgen, Pieter,’ klinkt het plotseling achter hem. Hij heeft zijn baas niet aan horen komen.‘Moggu,’ bromt Pieter wat binnensmonds, waarna hij de laatste slok koffie achteroverslaat. Als Peter de opdracht van zijn baas voor aanstaande maandag verneemt, krimpt hij ineen van schrik. Het lege koffiebekertje in zijn hand begint te beven. Maar dat niet alleen. Heeft de baas gemerkt dat zijn handen trilden toen hij de adresgegevens in zijn kleine notitieboekje noteerde en die met bevende handen in de borstzak van zijn blauwe overall stak? Op weg naar de wasplaats van het bedrijf, beletten zijn nog steeds bevende handen hem, om een sigaretje te draaien. Zowel de autocross als de warme hap bij Tante Bet zijn uit het hoofd van Pieter verdwenen. Met een hoofd vol andere en veel minder prettige gedachten, die als bliksemflitsen door zijn brein schieten, komt hij bij de wasplaats aan en begint de eerste van de vier verhuiswagens te wassen. Wordt vervolgd.

De pizza zuster 4

 logo pizzazuster_Monique BuisingDe pizza zuster (4)

De steegdeur, die toegang verschaft tot de achtertuin, blijkt niet slotvast afgesloten te zijn. Omzichtig betreden de beide ambtenaren vervolgens de tuin. Zo te zien zou het niet verkeerd zijn om de tuin eens een fikse onderhoudsbeurt te geven. Tussen zeker het halve meter hoge onkruid ligt allerlei rotzooi, uiteenlopend van losse tegels, stuk tuinslang, lekke emmers tot zakken met stinkend huishoudelijk afval, die inmiddels al aardig aangevreten zijn door vogels en loslopende katten. Fokelien en Fokke moeten goed uitkijken dat ze zich niet aan al die troep bezeren. Het scheelt maar weinig of Fokelien is over een tussen het onkruid verscholen plastic zak met zand gestruikeld. Fokke, die door de openstaande deur van het vrijstaand schuurtje een snelle blik werpt ,ziet en ruikt al genoeg, waarna hij de schuurdeur met veel moeite probeert dicht te trekken. De gordijnen van de woonkamer zijn gesloten. Fokelien maait geïrriteerd met haar armen om zich heen om de rondzwermende blauwe vliegen, die het blijkbaar nodig vinden om haar ook lastig te vallen, van zich af te slaan. Had ze vanochtend geweten, dat ze met een dergelijke klus als deze bezig zou moeten, dan had ze zeker voor een blouse met lange mouwen en hoogsluitende kraag gekozen, in plaats van een T- shirt met lage V- hals. Intussen probeert Fokke door een kier van het gesloten gordijn een glimp op te vangen van de woonkamer en van een eventueel aanwezige bewoonster. Maar tevergeefs. Ze hebben wel vaker met dit bijltje gehakt en zijn op alles voorbereid. Terwijl Fokelien met haar zegelring driemaal stevig op het raam van het woonkamerraam tikt, gevolgd door: ‘Hallo is daar iemand’ te roepen, voelt Fokke voor alle zekerheid nog even aan de kruk van de achterdeur. Deze is zoals verwacht gesloten. Het is voor Fokelien en Fokke wel duidelijk. Beiden hebben het gevoel dat de bewoonster wel thuis is, maar niet reageert. Tot zijn schrik ziet Fokke dat zijn horloge ruim half zes aangeeft. Tijd om naar huis te gaan waar zijn vrouw Annie en een koud pilsje op hem wachten. Ze besluiten om de volgende dag opnieuw contact met de bewoonster zoeken. Fokelien vult een ‘contactkaartje’ in, met de voorgedrukte tekst:‘Dringend’ erop en laat het kaartje vervolgens door de brievenbus glijden. Fokke heeft tussentijds nog even met Mientje gebeld en haar van de laatste ontwikkelingen op de hoogte gebracht.

                                                           *

Waarschijnlijk is ze door de sherry in slaap gesukkeld? Wie zal er toch aangebeld hebben? Ze verwacht geen bezoek. Al zeker een jaar niet meer. Merel nodigt nooit iemand uit en zelf komt ze ook nergens meer. Ze heeft wel andere, mooiere tijden, gekend. Hele fijne tijden zelfs. Maar nu? Ze belt af en toe nog met een vriendin, maar dat is het dan ook wel. Ook met haar collega’s heeft ze geen contact buiten het werk om. Het zijn stuk voor stuk kanjers, daar niet van. Word er op het raam van haar woonkamer getikt? Ook meent ze stemmen in de achtertuin te horen. Het moet toch niet gekker worden, bromt ze in zichzelf. Waarom laten ze haar niet met rust? Misschien zijn het die vervelende jongelui uit de straat verderop weer? Merel pakt haar kakibroek van de grond die ze vanwege de warmte had uitgetrokken. Behoedzaam loopt ze op blote voeten naar het raam van de woonkamer en schuift voorzichtig het gordijn in de hoek een beetje opzij, zodat ze zicht op de achtertuin heeft. Behalve de enorme bende en het inmiddels hoge onkruid, ziet ze niemand.

Door het gordijn in haar keuken iets opzij te schuiven, heeft ze uitzicht op haar voordeur. Niemand te zien gelukkig. Wat ziet haar keuken er toch smerig uit. Ze zal morgenmiddag na het werk, als het niet zo warm meer is, een begin maken om haar keuken wat te ordenen. Ze neemt zich voor om met de afwas te beginnen die al maanden het aanrecht ontsiert. Gelukkig heeft Merel de komende nacht de bereikbaarheidsdienst met een collega geruild. Ze is onvoldoende in staat om eventueel de komende nacht weer op te moeten draven. Een beetje onvast op haar benen staand, opent ze koelkastdeur en voelt of de fles whisky al een beetje afgekoeld is. Ze ziet op de klok, die boven de televisie hangt, dat het kwart over vijf is. Met de fles in de hand ploft Merel vervolgens op de versleten bank neer.

Twee uur later wordt er driemaal kort na elkaar aangebeld. Merel schrikt wakker uit haar hazenslaapje en pakt het reeds klaargelegde geld van de tafel. Ze loopt met het geld in haar enigszins trillende hand en onvast op haar benen staande naar de voordeur en pakt vervolgens de platte doos van de jongeman aan. Na de voordeur, die voorzien is van extra sloten, weer te hebben afgegrendeld, loopt ze met de doos naar de woonkamer en ploft opnieuw op de bank neer. Ze opent het deksel van de doos en snijdt met een mes,die altijd op de tafel ligt, een stuk van de vispizza af. Dat valt er na vier glazen koude sherry en twee glazen half gekoelde whisky goed in, denkt Merel bij zichzelf. Ze heeft langzamerhand wel behoefde aan iets warms in haar met alcohol gevulde maag. Vier happen verder vlijt Merel zich behaaglijk languit op de bank neer en valt al snel in diepe slaap. Ze mist daarmee het actualiteitenprogramma op de televisie die nog aan staat. In de overvolle asbak op de kloostertafel naast de pizzadoos met daarin nog de rest van een inmiddels koud geworden pizza, ligt een brandende sigaret zichzelf verder op te roken.

De volgende dag.

Stevige onweer- en regenbuien hebben de afgelopen nacht ertoe bijgedragen dat de temperatuur in vergelijking met de vorige dag, wat dragelijker geworden is. Volgens de weersvoorspelling zal het overigens opnieuw een broeierige dag gaan worden met in de avond en nacht opnieuw kans op onweer. Fokke en Fokelien zitten tijdens de lunchpauze in de gezellig ingerichte bedrijfskantine. In deze bedrijfskantine, die meer weg heeft van een huiskamer, eten ze de van thuis meegebrachte broodjes op Er is tijdens de laatste verbouwing van hun Unit goed nagedacht over de inrichting van de verblijfsruimte. Naast de lange eikenhouten etenstafel met bijbehorende met stof beklede stoelen, zijn er ook een aantal gezellige zitjes met mooie fauteuils gecreëerd, waar de medewerkers van de afdeling ‘Sociale Hygiëne’ zich tijdens de pauzes kunnen ontspannen.

Fokke en Fokelien hebben die ochtend met elkaar overlegd wat ze het beste kunnen doen met betrekking tot het verwittigen van de zus van de overleden man, die officieel nog ongeïdentificeerd in het mortuarium ligt. Even hebben ze overwogen om de zus in het ziekenhuis op te zoeken. Het voordeel daarvan zou zijn dat ze dan gelijk met haar de identificatie zouden kunnen afronden. Het nadeel is, dat ze dan niet in de woning van de zus kunnen rondkijken, in verband met de stankoverlast. Fokke en Fokelien hebben uiteindelijk besloten om gelijk na de pauze naar de woning van de vrouw te gaan, om, mocht ze al niet van het werk thuis zijn, haar op te wachten. Zo kunnen ze twee vliegen in een klap slaan. Alleen zullen ze dan nog met de vrouw naar het ziekenhuis moeten om haar overleden broer te identificeren. Fokke heeft die ochtend de recherche even op de hoogte gebracht van de laatste ontwikkeling. Van die zijde had er een ‘geen bezwaar’ geklonken. Voor de politie is de zaak al afgerond, wat de lijkvinding betreft.

Fokke heeft bij de Woningstichting te horen gekregen dat de huurster uit de Grensweg een betalingsregeling heeft lopen, die na een huurschuld van drie maanden is ontstaan. De Stichting is op de hoogte van de chaos in de achtertuin en heeft zelf ook de blauwe vleesvliegen waargenomen. In verband met de verwilderde en slecht onderhouden tuin is mevrouw reeds aangeschreven. De woningstichting heeft  in de brief aan de vrouw een termijn gesteld om de tuin weer te fatsoeneren. Ook heeft zij een schriftelijke uitnodiging van de woningstichting ontvangen met het verzoek om op kantoor te verschijnen. Helaas heeft ze daar geen gehoor aan gegeven. Na deze informatie heeft Fokke de medewerkster gewezen op een eventuele ‘bedreiging van de volksgezondheid’ en heeft de medewerkster ongevraagd enkele tips met betrekking tot de voortgang aan de hand gedaan. Fokke heeft met haar afgesproken, dat Fokelien en hij eerst nog een poging zullen doen, om de vrouw te bereiken. Een telefoontje met de buurtagent heeft ook weinig nieuws gebracht. Mevrouw is daar niet bekend. En een overlastmelding heeft de buurtagent nog niet gekregen. Fokke had de buurtagent kunnen vragen om eens bij de vrouw langs te gaan, maar er was iets wat hem daarvan heeft weerhouden. Om de overgebleven tijd toch nog nuttig te besteden, hebben Fokelien en Fokke zich beziggehouden met het administratief afhandelen van een aantal dossiers die al weken hun mooie bureau ontsierden. Eigenlijk zouden ze zich een paar dagen achtereen bezig moeten houden om de stapel dossiers weg te werken. Helaas is dat voornemen tot op heden een utopie gebleken. Er dienen zich immers steeds weer nieuwe zaken aan die de nodige aandacht vragen.

*

illustratie pizzazuster 2_Monique BuisingMerel is die ochtend rond zes uur met barstende hoofdpijn opgestaan. Ze is die nacht om half drie pas op de bank in de woonkamer rillerig van de kou wakker geworden. De televisie had nog aan gestaan. Het restant van de koud geworden pizza had ze met doos en al op de voor haar bekende plaats gesmeten. Kokhalzend van de stank die uit de kamer opsteeg, was Merel naar bed gegaan, nog narillend van haar nachtelijk verblijf op de bank. Nadat ze haar gezicht wat heeft gewassen in de smerige doucheruimte, is  ze met een lege maag en stekende hoofdpijn in haar auto naar het werk gegaan. Als ze in het kantoortje van de afdeling op het planbord kijkt, slaat de schrik haar om het hart. Ze staat voor twee langdurige operaties van elk vier uur ingeroosterd. Dat komt haar slecht uit. Nadat ze bij het lijstje van de reserves gekeken heeft,  komt Merel tot de conclusie, dat er vandaag niets te ruilen valt, wat ook wel logisch is. Het is immers vakantietijd. Ze had liever gezien, dat ze ingeroosterd zou zijn geweest bij de meer kleinere en dus kortdurende ingrepen, zodat ze wat meer pauzes kon nemen. Tijdens het omkleden ontdekt Merel een enveloppe met het ziekenhuislogo in haar garderobekastje, die tevens als brievenbus ten behoeve van interne post gebruikt wordt. Ze pakt de enveloppe en stopte deze ongeopend in haar handtas, die ze in het kastje terug legt. Ze zal vanavond na haar werk wel kijken wat er in de enveloppe zit. Nu moet ze opschieten om niet te laat bij de dagelijkse briefing te komen. Wordt vervolgd.

Illustratie: Monique Buising

Tekst correctie: Irma Kurpershoek

 

Vrijwilligheid moet je altijd respecteren

Vluchtelingenopvang 1

 

Vrijwilligheid moet je altijd respecteren

Groot was mijn verbazing  toen ik vorige vrijdag uit de media vernam dat Rode Kruisvrijwilligers die om principiële redenen niet bij de vluchtelingenopvang ingezet willen worden niet meer  bij het Rode Kruis welkom zijn. Nadat het eerste bericht naar buiten was gekomen, haastte een woordvoerder van het Rode Kruis in Den Haag te zeggen dat het om een suggestieve berichtgeving zou gaan, waar het Rode Kruis inmiddels afstand van had genomen. Niets was echter minder waar. Uit een gehouden interne enquête onder Rode kruisvrijwilligers  zou namelijk zijn gebleken, dat 20% van de Noodhulpvrijwilligers niet bereid zouden zijn om bij de opvang van vluchtelingen ingezet te willen worden. Daarnaast  zouden 54 Evenementenhulp vrijwilligers, niet achter de opvang van vluchtelingen staan. Verder is er in genoemde enquête te lezen waar de vrijwilligers liever wel ingezet willen worden. Maar dat terzijde. Mijn verbazing sloeg om in verbijstering toen ik de uitspraak van de heer Gijs de Vries, directeur van het Rode Kruis las:

Het Rode Kruis heeft als motto dat ze alle mensen die hulp nodig hebben wil helpen. Daarbij kijkt de instantie niet naar zaken als geloof, afkomst en geslacht enz. ,,In tijden van nood laten wij niemand alleen staan”. De vrijwilligers die menen dat zij zich niet aan dat motto hoeven te houden, kunnen rekenen op een indringend gesprek. Blijven ze daarna nog steeds dwarsliggen, dan worden ze geschrapt. ,,Duidelijk moet zijn dat principiële weigeraars geen vrijwilliger kunnen blijven.’

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het Rode Kruis inmiddels een ander idee bij het begrip vrijwilligheid heeft dan wat bij de meeste vrijwilligers leeft? In mijn beleving is een Rode Kruisvrijwilliger nog altijd vrij om zelf te bepalen waar hij/zij ingezet wil worden? Sterker nog: Een kandidaat vrijwilliger die zich bij het Rode Kruis aanmeld krijgt zelfs de keus om zich voor een bepaalde taak in te zetten. Dit betekent echter niet, dat vrijwillig ook vrijblijvend is. In tegendeel zelfs. Afhankelijk van taak of functie dient de vrijwilliger opleidingen en training te volgen. Van een vrijwilliger die bijvoorbeeld voor ‘Evenementenhulpverlening’ heeft gekozen, wordt natuurlijk geacht om regelmatig tijdens evenementen dienst te doen. Maar deelname (inzet) zoals bij evenementen is en blijft een kwestie van vrijwilligheid.

Als bijvoorbeeld een autocross, dancefeest, winkelen met gehandicapten of een sportevenement niet zijn/haar ding is, zal niemand erover vallen als de betreffende vrijwilliger zich voor dat evenement niet aanmeld. Maar waarschijnlijk heeft diezelfde Rode Kruis vrijwilliger, die niks met autocrossen of dancefeesten heeft, vanaf heden wel een probleem? Tenminste als de uitspraak van de Gijs de Vries serieus genomen moet worden? Mocht dat zo zijn, dan zullen er op korte termijn waarschijnlijk heel wat vrijwilligers een pittig gesprek gaan krijgen, vrees ik? Of… heeft de ‘gedwongen vrijwilligheid’ van Rode Kruis hulpverleners alleen betrekking op de opvang van vluchtelingen, en niet op de andere vormen van hulpverlening, zoals bijvoorbeeld tijdens evenementen? In dat kader dringt de vraag zich op, wat het verschil is tussen opvang van vluchteling en een hulp vragende autocrosser, elf steden wandelaar, fietser of schaatser? Laat niemand gaan roepen dat er wel degelijk een verschil tussen genoemde categorieën hulpvragers is. Bijvoorbeeld, dat bij vluchtelingenopvang sprake van een noodsituatie zou zijn, en dus alle hulp hard nodig is! Zelfs in noodsituaties is en blijft een Rode Kruis hulpverlener vrijwilliger, en kan hij/zij nooit gedwongen worden om op te draven, om welke reden dan ook. Natuurlijk laten de meeste Rode Kruisers alles uit hun handen vallen als er een oproep op hen wordt gedaan. Laat dat duidelijk zijn. In september 1992 werd een beroep gedaan op het toenmalige Geneeskundige Peloton van het Rode Kruis Fryslân, (bestaande uit vrijwilligers), om vijfhonderd voornamelijk medische slachtoffers uit het Joegoslavische Zagreb op te halen. In dat land heerste op dat moment een oorlogssituatie. Ook toen waren er Rode Kruis vrijwilligers die aangaven niet mee te willen. Naar hun motivatie is nadien nooit gevraagd. En wat mij betreft moet dat altijd zo blijven.

Hielke Houtsma

( Zelf vijftig jaar Rode Kruisvrijwilliger geweest)

Hij zwaaide naar mij…

Patrijspoort 2

Hij zwaaiende naar mij…

Daar stond ik

inmiddels  heel lang geleden

als jonge brandweerman

met de straalpijp in mijn handen

bij mijn eerste echte brand

Ik weet het nog goed

de dag was nog niet ontwaakt

de nacht was koud

amper een kwartier daarvoor

lag ik nog in mijn warme  bed

de adrenaline was inmiddels gezakt

de brug van het schip op de helling

brandde als een spuwende  vulkaan

toen….

zag ik hem

de matroos

achter de patrijspoort

helemaal onder in

hij zwaaide naar mij

ik zwaaide terug

als teken dat ik hem had gezien

daar stond ik

met een door schrik

dichtgeknepen  keel

een schreeuw kwam later

de matroos bleef  zwaaien

hij had nog hoop

het vuur was

immers nog ver

ik kon niks

wij konden niks

de rook was te dik

het vuur te heet

en de machteloosheid

ondraaglijk groot

na drie uren in wederzijdse hoop

tegen elkaar gezwaaid te hebben

verdween hij voor goed.

vijf uur later…..

het carillon aan de Voorstaat  sloeg tien

ik zie hem nog voor me

liggend in wat eens zijn hut was geweest

was de matroos nu

zwart en  verkoold .

Hielke Houtsma                                                                  Uit:  Heftige gebeurtenissen